Bedrijf en gezin voortaan gescheiden

Omdat Jan-baas nu eenmaal dacht in lijnen van bestendige ontwikkeling, was hij er steeds op uit, het bedrijf uit te bouwen. In de zeventiger jaren werd het gezin met nog vier kinderen uitgebreid, alweer twee dochters en twee zoons, Tijmen en Jentje. Het huis was intusschen te klein geworden. Jan-baas kocht van een oom een nabijgelegen woning, en deze werd door het gezin betrokken. Bedrijf en gezin waren voortaan gescheiden. Een moeilijk en droevig jaar stond voor de deur. In 1879 volgden de moeilijkheden, in een tragische reeks, elkander op. In dat jaar ontviel het zesde kind, het dochtertje Martha, op driejarige leeftijd door den dood aan het gezin. Ook stierf het jongste dochtertje, Ietje, nauwelijks achttien weken oud. Moeder Boukje was toen reeds ernstig ziek. Tot overmaat van ramp slonken de werkzaamheden in die mate, dat Jan-baas nauwelijks meer werkmogelijkheden bezat. Gedreven door den nood begon hij zich toe te leggen op het maken van stoelen, doch dit werd een désillusie.  Steeds weer keerde hij terug tot zijn uitgangspunt: schaven en schaatsen, in de vervaardiging waarvan hij zich langzamerhand een groote bekwaamheid had verworven, en waarbij hij zich voortaan zou bepalen. Het moeilijke zorgenvolle en tragische jaar, dat pas was doorworsteld, werd gevolgd door een rampjaar: in 1880 verloor Jan-Jarigs zijn beminde huisvrouw, zoodat hij achterbleef met zijn oudste dochter Weltje (16 jaar), zijn oudsten zoon Jarig (14 jaar) en de vier jonger kinderen. In die tijd had het IJlster bedrijf van Jan Jarigs Nooitgedagt al eenige  vlucht genomen, al zou de stijging en de fabrieksmatige uitbouw eerst in later jaren komen, mede door het toedoen van de vier zonen van de oprichter. Een zeer goede relatie had Jan-baas in die jaren gelegd met de firma F.H. Pijttersen te Sneek, welk bedrijf hem op loyale wijze steunde en bij financieele transacties zich steeds lankmoedig jegens den IJlster zakenvriend betoonde. In 1877 trad Jan-baas in briefwisseling met een Rotterdamsche firma. “Ingenieurs en Agenten in Stoom en andere Werktuigen”, omtrent de levering van een Amerikaansche houtschaafbank. Deze schaafmachines, die door stoom gedreven moesten worden, kostten destijds 1200,00 gulden; de boor- en steekmachines, die door handkracht moesten worden bediend, kosten 435,00 gulden. 

Het IJlster bedrijf was toentertijd op handkracht en alléén op handkracht aangewezen. In zijn aanvrage tot oprichting van een kachel-, grof- en hoefsmederij aan het gemeentebestuur van IJlst (gedateerd 7 mei 1878) schreef Jan-baas o.m. dat….”de Drijfkracht door blaasbalg en Handkragt zal geschieden”. Toch hoewel als smid werkzaam zijnde, bleef Nooitgedagt zich “schaafmaker” noemen. In de officieele stukken staat hij in die jaren alleen met zijn kwaliteit als “Schavenmaker” vermeld. Eerst in 1891 ging hij zich “Schaatsen- en Schaven-Fabrikant” noemen, terwijl hij zich in 1893 enkel als “Schaven-fabrikant” betitelt. In de tachtiger jaren evenwel vindt men hem alleen en uitsluitend als “schaafmaker” vermeld. En toch maakte hij in diejaren belangrijke Quanta schaatsen. Maar de vervaardiging van schaven, later ook ander timmergereedschap, is altijd van veel grooter beteekenis geweest dan die van schaatsen. In de twintigste eeuw echter heeft het bedrijf zich geleidelijk ontwikkeld ook tot de grootste, best ingerichte fabriek van de Friesche schaatsenindustrie. Doch daarop kom ik later nog terug.

In 1881 trad Nooitgedagt in het huwelijk met Willemke Feenstra. Uit dit huwelijk werd een tweetal dochters, Boukje en  Jantje, geboren. Intusschen waren de oudste zoons als werkkrachten in het bedrijf opgenomen. De oudste, Jarig, verliet in 1878 als 13-jarige jongen de school; hij werd door zijn vader in de hout-afdeling geplaatst. De tweede zoon, Aldert, volgde zijn broer een vijftal jaren later; de derde zoon, Tijmen, werd eveneens direct van de schoolbanken in het bedrijf opgenomen, n.l. in de smederij, waar toen al vrij veel werkkrachten zich wijdden aan het smeden van beitels en schaatsijzers. De reeks sloot met den vierde zoon, Jentje, die omstreeks 1890 in de zaak werd opgenomen. Van lieverlede vond elke der vier zonen zijn uiteindelijke bestemming in het bedrijf, en wel als volgt: Jarig kwam in de hout-afdeeling, Aldert op het kantoor, Tijmen in de ijzer-afdeling en Jentje kreeg de leiding in de machinekamer. Een lange reeks van jaren zijn de broers, eerst als werklieden en bekwame leiders in hun afdeelingen, later als directeurs, in het bedrijf werkzaam geweest, terwijl twee van hen ook heden nog met belangstelling de verdere ontwilleking van het bedrijf volgen: Jarig Nooitgedagt te IJlst, thans 74 jaar oud, en Tijmen Nooitgedagt te ’s Gravenhage, 66 jaar oud, genieten het voorrecht het 75-jarig bestaan van hun fabriek anno 1940 te mogen beleven!

Doch we zijn afgedwaald; terug derhalve naar de tachtiger jaren, toen Jan-baas hulp kreeg van zijn oudste zoons en hij in de smederij een bekwamen meesterknecht, Ulbe Tonnema, afkomstig van Minnertsga, naast zich had, die met de zolderjongens (welke wij nog zullen ontmoeten op onze wandeling door de fabriek) en de smidsknechtjes (waarvan wij eenig overlevende, de thans eervol onderscheiden Jentje Smidstra, óók nog zullen ontmoeten) hun best deden om de zaak mee vooruit te brengen en te doen floreeren. Jan-baas had intusschen zijn connecties uitgebreid. De artikelen, welke hij afleverde, konden aan de hooge eischen voldoen. Van zijn vakmanschap geeft onderstaande verklaring een duidelijken indruk.

“De ondergetekende, M. Borgrink, IJzerhandelaar te Leeuwarden, verklaart volgaarne dat Jan Nooitgedagt, Schavenmaker te IJlst, hem sedert negen jaren soliede en volkomen tot genoegen heeft bediend, dat zijn schaven in kwalieteit en prijs met elk fabrikaat (P. Dusen te Anholt niet uitgesloten) kunnen wedijveren, en dat hij zoodanig op de hoogte van zijn vak is, dat hij tot nu toe, voor elke door de Heeren Architecten geteekende lijsten of profielen, schaven heeft vervaardigd, welke volkomen tot genoegen van H.H. Architecten en Aanemers waren, zoodat hij Jan Nooitgedagt in volle vertrouwen aan zijn collega’s als schavenmaker durft aanbevelen”. Leeuwarden, 28 april 1885.   (w.g.) Borgrink.

Met dergelijke getuigenissen kon een jong bedrijf zich in die dagen toegang verschaffen tot ver buiten het eigenlijke rayon waarvoor men werkte. Langzamerhand werd het IJlster materiaal uit de zaak Nooitgedagt ook buiten Friesland bekend. Daarop voortbouwende werd het afzetgebied steeds grooter. In de jaren van 1880 tot 1900 werden overal in het land connecties aangeknoopt. Ook heden nog profiteert het moderne fabrieksbedrijf Nooitgedagt & Zonen van het voorbereidend werk, in die jaren door den vooruitzienden stichter van het bedrijf verricht.