De geschiedenis van J. Nooitgedagt & Zonen – IJlst, door Tjitte van der Horst

Inleiding;

Onze coördinator vrijwilligers, Tjitte van der Horst schrijft regelmatig in de vrijwilligerskrant over de geschiedenis van Nooitgedagt.

Dat willen we u niet onthouden. Op unieke wijze graaft Tjitte in het verleden met als resultaat een oorspronkelijk vervolgverhaal over een beroemde IJlster.

J. NOOITGEDAGT & ZONEN – YLST

In het Friesche stadje IJLST, dat sedert 1268 (toen het van den achsten potentaat [machthebber] Sikko Sjaerdama stedelijke rechten ontvangen had) groote tijden van bloeiende koophandel en drukke zeevaart had gekend, maar in later eeuwen – nadat het, gelegen aan de intusschen droog gevallen Middelzee, landstad geworden was en haar welvaart ten gunste van Sneek had zien inschrompelen – van lieverlede was achteruitgegaan en als plaats van handel en nijverheid haar vroegere beteekenis verloren had, – in dat stadje werd ten jare 1840 een man geboren, wiens leven en werken een zichtbaar spoor in de jongste geschiedenis van IJLST zou trekken en van wiens vakmanschap en ondernemingszin en zakelijk scherpzinnigheid men heden nog spreekt.

geschiedenis_verhaal-001Die man was Jan Jarigs Nooitgedagt van huis uit een eenvoudige timmerknecht, die in de wintertijd, wanneer er niets was te bouwen, zich onledig hield met het maken van schaafblokken en schaatshouten, welke laatste artikelen hij afleverde ter verdere voltooiing aan de IJlster smeden. Door die samenwerking van timmerlieden en smeden kwamen destijds de IJlster schaatsen tot stand, die over geheel Friesland – en ook daarbuiten – aftrek en waardering vonden.

In den Frieschen Volksalmanak van 1848 rijmde een volksdichter:

Drylts en Wergea ha wol redens! Sjoch, de moaiste scilste ha……..

Uit de regels waar mee we vorige maand mee, afsloten blijkt dat “Drylst” (Friesch voor IJlst) en “Wergea” (Warga) toen reeds alom bekendheid genoten als plaatsen, waar de beste en mooiste schaatsen vandaan kwamen.  De jonge timmerman Jan Nooitgedagt ging op 22-jarige leeftijd een hooge verantwoordelijkheid aan;  hij trouwde met een IJlster meisje van denzelfden ouderdom, BOUKJE ALDERTS WAFELAAR, van beroep naaister, die in haar huwelijk o.a. meebracht een … groep naaimeisjes, welke voortaan van de vrouw des huizes Nooitgedagt onderricht in de edele naaikunst zouden ontvangen.

to reedhoutsjen

Het jeugdige echtpaar bewoonde een eenvoudig huis aan de Eegracht, waarin de arbeid op den troon zat en het tweevoudig kleinbedrijf met z’n drukte en zorgen het leven van man en vrouw geheel vervulde. Jan Jarigs was namelijk in 1865 voor zichzelf begonnen “to reedhout-sjen”, dat wil zeggen: hij had zich zelfstandig gemaakt om voor eigen rekening de vervaardiging van schaats-houten en –ijzers en schaafblokken voort te zetten. Hij begreep heel wel, dat dit bedrijf in de eerste jaren niet bijzonder winstgevend zou zijn en daarom achtte hij het verstandig, dat zijn huisvrouw op háár wijze meehielp om de gezinsinkomsten te vergrooten door middel van naailessen aan de jongedochters van IJlst.

geschiedenis_verhaal-002De werkplaats werd ingericht op den zolder. Daar was Jan Jarigs van den vroegen morgen af bezig met zijn handwerk. Het duurde niet lang of hij nam een jongen in loondienst, een paar jaar later zelfs een tweede, nog weer later een derde, een vierde enzoovoort! Den ganschen langen dag klonk daar het geschaaf en gehamer, dat het huis met daverend geluid vervulde, terwijl in de kamer beneden de stemmen gonsden van een groep bezige meisjes, die door moeder Boukje in het naaldvak werden bekwaamd. Beiden, man en vrouw, hadden bovendien nog de taak, de jeugd van beider kunne tot gestagen arbeid aan te zetten en hun luidruchtigheden in te tomen. Wat nu de zaak van “Jan-baas” – zooals de werkjongens, die al spoedig zelf met de benaming “Zolderjongens” werden aangeduid, hun werkgever noemden – betreft, deze bleef vooreerst nog klein en weinig loonend, niettegenstaande de vakbekwaamheid en groote werkkracht van den meester. Hij zelf had er zich aangewend ’s morgens om drie uur op te staan en kort daarna met den arbeid te beginnen; om vijf uur kwamen de knechtjes en dan was men er – geschiedenis_verhaal-003een korte middagpauze niet meegerekend – gezamenlijk met ijver bezig tot ’s avonds 7 uur. Op dat tijdstip vertrokken de jongens, maar Jan-baas werkte tot acht uur door; dan ging hij naar beneden en was in den huiselijken kring nog enkele uren met schrijfwerk en administratie bezet.

Wanneer het noodig was, begaf Jan-baas zich op reis. Dan zag men hem op ’s Heeren wegen ver van de stad IJLST, met op zijn rug een wit katoenen zakje, waaraan koperen ringen, op weg naar Makkum, Sneek of Leeuwarden. Daar bezocht hij de ijzerwinkels en bracht er zijn schaven aan den man. Geleidelijk aan breide het bedrijf zich uit.

Doch ook op andere wijze kwam er een uitbreiding tot stand, namelijk die van het gezin zelf, waardoor de zorgen uiteraard toenamen. Omstreeks 1872 bestond het kindertal uit twee dochters en twee zoons, Jarig en Aldert. Aan de oudste dochter Weltje (Welmoed) – thans mevr. de weduwe W. van der Wal-Nooitgedagt, die te IJLST woonachtig is – had het gezin toen al veel steun.

Jan Jarigs (ofwel Jan-baas) was steeds bedacht op het benutten van mogelijkheden teneinde zijn verdiensten te doen toenemen. Hij wist van aanpakken, en zijn vrouw deed daarin voor hem niet onder. Op zekere dag besloten zij een kleine winkel in tabak en petroleum te gaan beginnen. Deze opzet bracht evenwel geen zoden aan de dijk, zoodat het winkeltje weldra moest worden opgeheven. Een jaar later werd de voorkamer veranderd in een nieuwe werkplaats, waar Jan-baas de vervaardiging van boenderhouten en luiwagenblokken ter hand nam. Het gezin moest nu naar de achterkamer verhuizen, welke ruimte daarvóór verhuurd was geweest. Mede was in het gezin inwonend de oude vader van moeder Boukje, hetgeen om meer dan één reden voordeelig was, aangezien Jan-baas voor zijn uitbreiding geld van zijn schoonvader in leen kreeg. De ‘bjinderhoutsjemakkerij”, zoals de nieuwe werkplaats genoemd werd, was al evenmin een succes. Het duurde niet lang of ook dit neven bedrijf moest gestaakt worden. Daarna werd de werkplaats omgebouwd tot smederij, waarin tevens een noodstal voor paardenbeslag werd gevestigd. Dit laatste onderdeel is later opgeheven, maar de smederij bezat levensvatbaarheid. Hetgeen verder nog zal blijken.

Gerelateerde berichten

U kunt geen reactie plaatsen.