Nooitgedagt & zonen 1865 – 1940

75 Jaar Nooitgedagt & zonen IJlst

In het Friesche stadje IJlst, dat sedert 1268 (toen het van den achtsten potentaat Sikko Sjaerdama stedelijke rechten ontvangen had) groote tijden van bloeienden koophandel en drukke zeevaart had gekend, maar in later eeuwen – nadat het gelegen aan de intusschen droog gevallen Middelzee, landstad geworden was en haar welvaart ten gunste van Sneek had zien inschrompelen – van lieverlede was achteruitgegaan en als plaats van handel en nijverheid haar vroegere beteekenis verloren had, – in dát stadje werd ten jare 1840 een man geboren, wiens leven en werken een zichtbaar spoor in de jongste geschiedenis van IJlst zou trekken en van wiens vakmanschap, ondernemingszin en zakelijk gerichte scherpzinnigheid men heden ten dage te IJlst de bloeiende gevolgen kan waarnemen.

geschiedenis_verhaal-001Die man was JAN JARIGS NOOITGEDAGT, van huis uit een eenvoudige timmerknecht, die in den wintertijd, wanneer er niets was te bouwen, zich onledig hield met het maken van schaafblokken en schaatshouten, welke laatste artikelen hij afleverde ter verdere voltooiïng aan de IJlster smeden. Door die samenwerking van timmerlieden en smeden kwamen destijds de IJlster schaatsen tot stand, die over geheel Friesland – en ook daarbuiten – aftrek en waardeering vonden.

In den Frieschen Volksalmanak van 1848 rijmde een volkdichter:

Drylst en Wergea ha wol redens!
Sjoch, de moaiste scilste ha……

Uit de regels waar mee we vorige maand mee, afsloten blijkt dat “Drylst” (Friesch voor IJlst) en “Wergea” (Warga) toen reeds alom bekendheid genoten als plaatsen, waar de beste en mooiste schaatsen vandaan kwamen.  De jonge timmerman Jan Nooitgedagt ging op 22-jarige leeftijd een hooge verantwoordelijkheid aan;  hij trouwde met een IJlster meisje van denzelfden ouderdom, BOUKJE ALDERTS WAFELAAR, van beroep naaister, die in haar huwelijk o.a. meebracht een … groep naaimeisjes, welke voortaan van de vrouw des huizes Nooitgedagt onderricht in de edele naaikunst zouden ontvangen.

“to reedhoutsjen”

geschiedenis_verhaal-002Het jeugdige echtpaar bewoonde een eenvoudig huis aan de Eegracht, waarin de arbeid op den troon zat en het tweevoudig kleinbedrijf met z’n drukte en zorgen het leven van man en vrouw geheel vervulde. Jan Jarigs was namelijk in 1865 voor zichzelf begonnen “to reedhout-sjen”, dat wil zeggen: hij had zich zelfstandig gemaakt om voor eigen rekening de vervaardiging van schaats-houten en –ijzers en schaafblokken voort te zetten. Hij begreep heel wel, dat dit bedrijf in de eerste jaren niet bijzonder winstgevend zou zijn en daarom achtte hij het verstandig, dat zijn huisvrouw op háár wijze meehielp om de gezinsinkomsten te vergrooten door middel van naailessen aan de jongedochters van IJlst.

De werkplaats werd ingericht op den zolder. Daar was Jan Jarigs van den vroegen morgen af bezig met zijn handwerk. Het duurde niet lang of hij nam een jongen in loondienst, een paar jaar later zelfs een tweede, nog weer later een derde, een vierde enzoovoort! Den ganschen langen dag klonk daar het geschaaf en gehamer, dat het huis met daverend geluid vervulde, terwijl in de kamer beneden de stemmen gonsden van een groep bezige meisjes, die door moeder Boukje in het naaldvak werden bekwaamd. Beiden, man en vrouw, hadden bovendien nog de taak, de jeugd van beider kunne tot gestagen arbeid aan te zetten en hun luidruchtigheden in te tomen. Wat nu de zaak van “Jan-baas” – zooals de werkjongens, die al spoedig zelf met de benaming “Zolderjongens” werden aangeduid, hun werkgever noemden – betreft, deze bleef vooreerst nog klein en weinig loonend, niettegenstaande de vakbekwaamheid en groote werkkracht van den meester. Hij zelf had er zich aangewend ’s morgens om drie uur op te staan en kort daarna met den arbeid te beginnen; om vijf uur kwamen de knechtjes en dan was men er – een korte middagpauze niet meegerekend – gezamenlijk met ijver bezig tot ’s avonds 7 uur. Op dat tijdstip vertrokken de jongens, maar Jan-baas werkte tot acht uur door; dan ging hij naar beneden en was in den huiselijken kring nog enkele uren met schrijfwerk en administratie bezet.

Wanneer het noodig was, begaf Jan-baas zich op reis. Dan zag men hem op ’s Heeren wegen ver van de stad IJLST, met op zijn rug een wit katoenen zakje, waaraan koperen ringen, op weg naar Makkum, Sneek of Leeuwarden. Daar bezocht hij de ijzerwinkels en bracht er zijn schaven aan den man. Geleidelijk aan breide het bedrijf zich uit.

Doch ook op andere wijze kwam er een uitbreiding tot stand, namelijk die van het gezin zelf, waardoor de zorgen uiteraard toenamen. Omstreeks 1872 bestond het kindertal uit twee dochters en twee zoons, Jarig en Aldert. Aan de oudste dochter Weltje (Welmoed) – thans mevr. de weduwe W. van der Wal-Nooitgedagt, die te IJLST woonachtig is – had het gezin toen al veel steun.

geschiedenis_verhaal-004Jan Jarigs (ofwel Jan-baas) was steeds bedacht op het benutten van mogelijkheden teneinde zijn verdiensten te doen toenemen. Hij wist van aanpakken, en zijn vrouw deed daarin voor hem niet onder. Op zekere dag besloten zij een kleine winkel in tabak en petroleum te gaan beginnen. Deze opzet bracht evenwel geen zoden aan de dijk, zoodat het winkeltje weldra moest worden opgeheven. Een jaar later werd de voorkamer veranderd in een nieuwe werkplaats, waar Jan-baas de vervaardiging van boenderhouten en luiwagenblokken ter hand nam. Het gezin moest nu naar de achterkamer verhuizen, welke ruimte daarvóór verhuurd was geweest. Mede was in het gezin inwonend de oude vader van moeder Boukje, hetgeen om meer dan één reden voordeelig was, aangezien Jan-baas voor zijn uitbreiding geld van zijn schoonvader in leen kreeg. De ‘bjinderhoutsjemakkerij”, zoals de nieuwe werkplaats genoemd werd, was al evenmin een succes. Het duurde niet lang of ook dit neven bedrijf moest gestaakt worden. Daarna werd de werkplaats omgebouwd tot smederij, waarin tevens een noodstal voor paardenbeslag werd gevestigd. Dit laatste onderdeel is later opgeheven, maar de smederij bezat levensvatbaarheid. Hetgeen verder nog zal blijken.

BEDRIJF EN GEZIN VOORTAAN GESCHEIDEN.

Omdat Jan-baas nu eenmaal dacht in lijnen van bestendige ontwikkeling, was hij er steeds op uit, het bedrijf uit te bouwen. In de zeventiger jaren werd het gezin met nog vier kinderen uitgebreid, alweer twee dochters en twee zoons, Tijmen en Jentje. Het huis was intusschen te klein geworden. Jan-baas kocht van een oom een nabijgelegen woning, en deze werd door het gezin betrokken. Bedrijf en gezin waren voortaan gescheiden. Een moeilijk en droevig jaar stond voor de deur. In 1879 volgden de moeilijkheden, in een tragische reeks, elkander op. In dat jaar ontviel het zesde kind, het dochtertje Martha, op driejarige leeftijd door den dood aan het gezin. Ook stierf het jongste dochtertje, Ietje, nauwelijks achttien weken oud. Moeder Boukje was toen reeds ernstig ziek. Tot overmaat van ramp slonken de werkzaamheden in die mate, dat Jan-baas nauwelijks meer werkmogelijkheden bezat. Gedreven door den nood begon hij zich toe te leggen op het maken van stoelen, doch dit werd een désillusie.  Steeds weer keerde hij terug tot zijn uitgangspunt: schaven en schaatsen, in de vervaardiging waarvan hij zich langzamerhand een groote bekwaamheid had verworven, en waarbij hij zich voortaan zou bepalen. Het moeilijke zorgenvolle en tragische jaar, dat pas was doorworsteld, werd gevolgd door een rampjaar: in 1880 verloor Jan-Jarigs zijn beminde huisvrouw, zoodat hij achterbleef met zijn oudste dochter Weltje (16 jaar), zijn oudsten zoon Jarig (14 jaar) en de vier jonger kinderen. In die tijd had het IJlster bedrijf van Jan Jarigs Nooitgedagt al eenige  vlucht genomen, al zou de stijging en de fabrieksmatige uitbouw eerst in later jaren komen, mede door het toedoen van de vier zonen van de oprichter. Een zeer goede relatie had Jan-baas in die jaren gelegd met de firma F.H. Pijttersen te Sneek, welk bedrijf hem op loyale wijze steunde en bij financieele transacties zich steeds lankmoedig jegens den IJlster zakenvriend betoonde. In 1877 trad Jan-baas in briefwisseling met een Rotterdamsche firma. “Ingenieurs en Agenten in Stoom en andere Werktuigen”, omtrent de levering van een Amerikaansche houtschaafbank. Deze schaafmachines, die door stoom gedreven moesten worden, kostten destijds 1200,00 gulden; de boor- en steekmachines, die door handkracht moesten worden bediend, kosten 435,00 gulden.

Het IJlster bedrijf was toentertijd op handkracht en alléén op handkracht aangewezen. In zijn aanvrage tot oprichting van een kachel-, grof- en hoefsmederij aan het gemeentebestuur van IJlst (gedateerd 7 mei 1878) schreef Jan-baas o.m. dat….”de Drijfkracht door blaasbalg en Handkragt zal geschieden”. Toch hoewel als smid werkzaam zijnde, bleef Nooitgedagt zich “schaafmaker” noemen. In de officieele stukken staat hij in die jaren alleen met zijn kwaliteit als “Schavenmaker” vermeld. Eerst in 1891 ging hij zich “Schaatsen- en Schaven-Fabrikant” noemen, terwijl hij zich in 1893 enkel als “Schaven-fabrikant” betitelt. In de tachtiger jaren evenwel vindt men hem alleen en uitsluitend als “schaafmaker” vermeld. En toch maakte hij in diejaren belangrijke Quanta schaatsen. Maar de vervaardiging van schaven, later ook ander timmergereedschap, is altijd van veel grooter beteekenis geweest dan die van schaatsen. In de twintigste eeuw echter heeft het bedrijf zich geleidelijk ontwikkeld ook tot de grootste, best ingerichte fabriek van de Friesche schaatsenindustrie. Doch daarop kom ik later nog terug.

In 1881 trad Nooitgedagt in het huwelijk met Willemke Feenstra. Uit dit huwelijk werd een tweetal dochters, Boukje en  Jantje, geboren. Intusschen waren de oudste zoons als werkkrachten in het bedrijf opgenomen. De oudste, Jarig, verliet in 1878 als 13-jarige jongen de school; hij werd door zijn vader in de hout-afdeling geplaatst. De tweede zoon, Aldert, volgde zijn broer een vijftal jaren later; de derde zoon, Tijmen, werd eveneens direct van de schoolbanken in het bedrijf opgenomen, n.l. in de smederij, waar toen al vrij veel werkkrachten zich wijdden aan het smeden van beitels en schaatsijzers. De reeks sloot met den vierde zoon, Jentje, die omstreeks 1890 in de zaak werd opgenomen. Van lieverlede vond elke der vier zonen zijn uiteindelijke bestemming in het bedrijf, en wel als volgt: Jarig kwam in de hout-afdeeling, Aldert op het kantoor, Tijmen in de ijzer-afdeling en Jentje kreeg de leiding in de machinekamer. Een lange reeks van jaren zijn de broers, eerst als werklieden en bekwame leiders in hun afdeelingen, later als directeurs, in het bedrijf werkzaam geweest, terwijl twee van hen ook heden nog met belangstelling de verdere ontwilleking van het bedrijf volgen: Jarig Nooitgedagt te IJlst, thans 74 jaar oud, en Tijmen Nooitgedagt te ’s Gravenhage, 66 jaar oud, genieten het voorrecht het 75-jarig bestaan van hun fabriek anno 1940 te mogen beleven!

Doch we zijn afgedwaald; terug derhalve naar de tachtiger jaren, toen Jan-baas hulp kreeg van zijn oudste zoons en hij in de smederij een bekwamen meesterknecht, Ulbe Tonnema, afkomstig van Minnertsga, naast zich had, die met de zolderjongens (welke wij nog zullen ontmoeten op onze wandeling door de fabriek) en de smidsknechtjes (waarvan wij eenig overlevende, de thans eervol onderscheiden Jentje Smidstra, óók nog zullen ontmoeten) hun best deden om de zaak mee vooruit te brengen en te doen floreeren. Jan-baas had intusschen zijn connecties uitgebreid. De artikelen, welke hij afleverde, konden aan de hooge eischen voldoen. Van zijn vakmanschap geeft onderstaande verklaring een duidelijken indruk.

“De ondergetekende, M. Borgrink, IJzerhandelaar te Leeuwarden, verklaart volgaarne dat Jan Nooitgedagt, Schavenmaker te IJlst, hem sedert negen jaren soliede en volkomen tot genoegen heeft bediend, dat zijn schaven in kwalieteit en prijs met elk fabrikaat (P. Dusen te Anholt niet uitgesloten) kunnen wedijveren, en dat hij zoodanig op de hoogte van zijn vak is, dat hij tot nu toe, voor elke door de Heeren Architecten geteekende lijsten of profielen, schaven heeft vervaardigd, welke volkomen tot genoegen van H.H. Architecten en Aanemers waren, zoodat hij Jan Nooitgedagt in volle vertrouwen aan zijn collega’s als schavenmaker durft aanbevelen”. Leeuwarden, 28 april 1885.   (w.g.) Borgrink.

Met dergelijke getuigenissen kon een jong bedrijf zich in die dagen toegang verschaffen tot ver buiten het eigenlijke rayon waarvoor men werkte. Langzamerhand werd het IJlster materiaal uit de zaak Nooitgedagt ook buiten Friesland bekend. Daarop voortbouwende werd het afzetgebied steeds grooter. In de jaren van 1880 tot 1900 werden overal in het land connecties aangeknoopt. Ook heden nog profiteert het moderne fabrieksbedrijf Nooitgedagt & Zonen van het voorbereidend werk, in die jaren door den vooruitzienden stichter van het bedrijf verricht.

VAN SCHAVENMAKER TOT FABRIKANT.

Hierboven is betoogd, dat de oude heer Nooitgedagt – laten we hem nu maar Jan-Jarigs of Jan-baas blijven noemen! – zich in 1891 “Schaatsen- en schaven- Fabrikant” noemde. Wanneer was hij in zijn eigen waardeering gegroeid van schavenmaker tot schavenfabrikant? Om die verandering in titulatuur te begrijpen, moeten we terug naar het jaar 1882. Een belangrijk jaar voor het IJlster bedrijf. In dat jaar namelijk schafte Jan-Baas voor zijn bedrijf een locomobiel aan. Daarmede deed de motorische kracht haar intrede in zijn bedrijf! Een staande machine van 4 P.K. ging voor de verbaasde oogen van het personeel “op eigen gelegenheid” draaien en bracht het wonder tot stand, dat de zaagmachines, de boormachines en de slijpsteenen – die tot dien tijd door handkracht waren bediend – door die onzichtbare paardenkrachten, welke de firma Hubert van Sneek in die locomobiel had laten inbouwen, tot beweging, ja tot ongeloofelijke snelle bewegingen werden gebracht! Voor de aandrijving van de machines werd voortaan door die motorische kracht gezorgd…..

Het was met deze locomobiel overigens nog niet je dat. Er ontbrak namelijk een regulateur aan. Evenmin kreeg zij een specialen machinist ter bediening toegewezen; alle man ging daar gezamenlijk over. Incidenten bleven dan ook niet uit. Wanneer de ketel terdege was opgestookt, dan liep de machine full speed en werkte zichzelve bijna over den kop, om even later weer te steunen als een grijsaard. De zoon van Jarig begreep, dat een regulateur uitkomst zou brengen en toen hij was vrijgeloot van den militairen dienst, vierde de familie dit feit met het aankopen van dat onmisbaar instrument. Tot 1893 is de locomobiel in bedrijf geweest; toen was zij te klein geworden en werd daarom afgeschaft.

De overgang van handkracht naar motorische kracht had het bedrijf op nieuwe banen geleid, die wijde perpectieven openden. In die jaren begreep iedereen te IJlst en ook de zakenvrienden elders, dat Jan Jarigs Nooitgedagt….. fabrikant was geworden.

Voor de locomobiel kwam in de plaats een liggende 1 Cil. Machine van 24 PK, eveneens geleverd door W. Hubert en Co. te Sneek. Ook kwam er een nieuwe ketel en werd er een hooge schoorsteen gebouwd. In dat zelfde jaar (1893) werd er achter de smederij een nieuw gedeelte bijgebouwd. Kort daarvóór, in 1891, had Nooitgedagt met Pijttersen te Sneek een overeenkomst gesloten waarbij deze aan Nooitgedagt den geheelen handel in schaven had overgedaan, waarvoor de laatste zich verbond een schadeloosstelling aan Pijttersen en aan Louwmans en Co. te betalen, die nog al in de papieren liep, maar desniettemin werd uitbetaald.

De Sneeker heeren stelden hun afnemers op de volgende wijze met de overeenkomst in kennis:

Sneek, Julij 1891.

Ondergeteekenden brengen bij dezen U terkennis met de uiteenzetting onzer zaken wij opgehouden schaven te leveren. En in dezen met alle vrijmoedigheid aanbeveelen J. Nooitgedagt te IJlst, met welke onze Firma’s reeds 25 jaren lang met genoegen en goed succes gehandeld heeft.

(w.g.) Firma Louwmans & Co             Firma F.H. Pijttersen.

Aan welk schrijven de heer Nooitgedagt zich op de volgende wijze refereerde:

IJlst, Julij 1891.

Naar aanleiding dat de Heeren Pijttersen en Louwmans hunne zaken verdeeld hebben en ondergeteekende de levering van schaven enz. heden hebben opgedragen. Zoo is mijn vriendelijk verzoek om in die voorregten te deelen en aan U te leveren wat door mij vervaardigd wordt en vlei mij met de hoop dat wij nog lang en veele zaken met elkander doen zullen.

(w.g.) J. NOOITGEDAGT              Schaatsen- en schaven-Fabrikant.

De volgende passage uit een brief van Nooitgedagt aan Pijtersen geeft een indruk van de moeilijkheden, welke de eerste had moeten overwinnen, en zegt voorts ook wel iets over de goede verhouding, die er tusschen hen bestond Nooitgedagt schreef dan aan Pijtersen dato 16 Juli 1891:

Ik geloof gaarne dat U er veel moeite en werk voor gedaan heeft en dat de winst voor U niet groot geweest is. Maar ook U moet weten dat dit voor mij in de eerste jaren heel schadelijk gewerkt heeft altijd omdat ik geen genoeg werk had en wat het schavenfak betrof daar ook niets aan doen kon. Wel heb ik indertijd uitreddingen gezocht met wat anders te maken, boenderhouten, stoelen enz. altijd met het oog daarop dat wanneer ik maar geld haalde en U geen genoeg aftrek vond in schaven en ook die beide artiekelen heb ik met schade beproefd. Toen ben ik naar U gegaan met het voorstel om de plaatsen Amsterdam en Rotterdam voor mij zelf te bereizen, hetwelk mij door U welwillend werd toegestaan nog later toen ook dat voor mij niet genoeg was, heb ik nog eeninge plaatsen (genoemd? Hier ontbreekt n.l. iets – W) hetwelk ook door

Een afnemer te Amsterdam, die omstreeks 1897 de IJlster fabriek bezocht, zei tot vader Jan Jarigs: “U moet eens een paar van Uw jongens naar het Rijnland sturen, naar Remscheid of Solingen, om eens te zien hoe ze het daar doen.” Deze wenk werd opgevolgd, Jarig en Tijmen kregen opdracht om daar ginder eens een kijkje te nemen. Het tweetal kwam in contact met schaatsenfabrikant, die hun vader kenden. Dit reisje leidde tot het aankopen van een valhamer en een oven, waarin het ijzer op lasch-hitte kon worden gebracht. Voor Tijmen werd deze reis aanleiding tot volgende bezoeken aan het buitenland. Het is vooral de buitenlansche ervaring van de zonen geweest, die het bedrijf later die vlucht zou geven, waarop vader Jan in zijn levensavond terecht trotsch kon zijn.

DE NIEUWE HOUT-AFDELING

De negentiende eeuw bracht in haar einde voor het bedrijf van Nooitgedagt nog een top-jaar: in 1899, op 23 Augustus, kon de nieuwe hout-afdeling, een belangrijke uitbreiding worden geopend. Deze opening ging gepaard met een feestelijke bijeenkomst in de bovenzaal van het nieuwe gedeelte, waar het personeel met hun vrouwen op chocolade enz. werd getracteerd. Dit was een dag om nooit te vergeten! De “zolderjongens” van vroeger, inmiddels jongelingen geworden (thans mannen in den avond van hun leven) halen nog gaarne herinneringen op aan dien dag van het jaar 1899, toen er een echte feeststemming in het bedrijf heerschte, die alleen maar verstilde en verstomde in het ogenblik, waarin de leider van het bedrijf, de toenmaals 59 jarige Jan-baas, opstond en in tegenwoordigheid van zijn familie, den plaatselijke predikant ds. Oberman, het personeel met hun vrouwen en enkele genoodigden, de plechtige opening verrichtte.

“Ik roep U – zoo begon de feestredenaar Nooitgedagt senior – ik roep U bij dezen een hartelijk welkom toe aan deze plaats. De reeds lang verbeide dag is dan nu eindelijk aangebroken, dat we de nieuwe fabriek in gebruik kunnen nemen. Daarom is het dat wij ons hebben opgemaakt dezen middag feestelijk samen te zijn. Ik zeg feestelijk, want ik geloof dat wij allen blijde gestemd zijn. “Daartoe bestaat dan ook allezins reden. Voor mij als patroon en voor U als mijne werklieden. En dat wel om twee redenen. Ten eerste gaat er van deze fabriek een sprake uit dar er geen stilstand of achteruitgang, maar integendeel vooruitgang is. Ze spreekt van uitbreiding. En dat stemt ons allen, baas zoowel als knecht, mannen zoowel als de vrouwen, tot blijdschap. Vooral in den tegenwoordigen tijd. Hoe vaak toch wordt niet de klaagtoon vernomen van gebrek aan werk, ja, hoe mannen in de kracht huns levens wel werk zoeken maar niet vinden. En al is ’t dat ze voor een tijdlang werk hebben gevonden, toch bezorgd en bekommerd voortleven, vreezende welhaast hun werk te zien ophouden, en met het werk hun brood voor vrouw en kind. Wij daarentegen hadden tot op dit oogenblik daarvoor niet te vreezen en ook is de toekomst voor zoover wij kunnen zien niet angstwekkend en donker. “De klachten ze komen dan ook niet voort omdat er geen werk is, maar hoofdzakelijk hiervan, dat de werkgevers zich niet bijtijds hebben ingericht naar de eischen van onzen tijd, de bakens niet hebben verzet nu de ontwikkeling van het stoomwezen zulk een groote vlucht nam, terwijl als gevolg daarvan het werk dat hier moest worden verricht, elders gedaan wordt. Want weet dit, niemand verlangt onze schaven omdat ik het ben, maar juist omdat ze goed en netjes zijn afgewerkt en de prijzen concurreerend zijn. Daardoor juist staat of valt een zaak. Het is dus plicht en roeping de ontwikkeling dezer eeuw te gehoorzamen en te volgen niet alleen, maar kon ’t zelfs nog verder te brengen. “En daarom nu heb ik steeds getracht en tracht ik nog en zal ik blijven trachten in het belang mijner  kinderen, in ’t belang van U, mijn trouwe werklieden, in ’t belang van uwe gezinnen, ja in ’t belang van de plaats onzer inwoning, met de krachten en gaven mij door God geschonken en met uwe onmisbare hulp, mijne inrichting steeds meer en aldoor te doen beantwoorden aan de eischen van onze tijd. Stilstand is achteruitgang, ook in dezen geve de Heere daarom gezondheid, kracht en lust en bekwaamheid, onze roeping ook in dezen naar de eisch verder te vervullen. “Maar er is nog een tweede die ik meen te moeten aanwijzen, waarom wij oorzaak hebben blijde gestemd te moeten zijn. Ik bedoel de meerdere fischheid en luchtigheid van deze nieuwe fabriek boven de oude. Laat mij er direct bijvoegen, dat dit ook de oorzaak is waarom wij ons thans      in dit gebouw mogen verheugen. De stoomhamer maakte het langer blijven in het oude gedeelte onmogelijk. Met het ontwerpen van dit gebouw is het steeds mijn toeleg geweest, de gebreken van de oude fabriek te ontgaan en aan de redelijke eischen, die men aan een gezonde werkplaats stelt, te voldoen. Dat de oude werkplaats veel te weschen overliet, stem ik gaarne toe. Maar ik geloof niet dat één uwer mij hiervan een verwijt zal maken. Ge kent mijne opkomst, de omstandigheden en middelen lieten niet toe alles naar eisch in te laten richten, ik moest mij behelpen met een zolder en vandaar onze naam zolderjongens. Met worstelen kon ik ’t hoofd boven water houden, langzaam en moeilijk ging ’t evenwel toch voorwaarts. “Doch genoeg. ’t Is voor U geen onbekende zaak en ook ’t leggen van de eersten steen is hier meer over gesproken. Thans kunnen wij zeggen, ’t oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. “Helaas! Dat dit niet door mijn oudsten knecht. Jacob Fijlstra, mocht worden beleefd. Het begin mocht hij nog aanschouwen, van het ontwerp kennis nemen, maar ’t einde of de voltooiïng te zien was voor hem niet weggelegd. God de Heere neemt uit dit aardsche leven weg jongen zoowel als ouden, ook mannen in de kracht huns levens al naar ’t gelangt in Zijn raad besloten ligt. “En nu, laten we hopen, dat dezelfde goede verstandhouding die er in de oude werkplaats steeds heerschte, ook in de nieuwe fabriek moge gevonden worden. Dat we meer en meer mogen beseffen hoe we elkander noodig hebben, ik als patroon U als knechts en gij als knechts mij als patroon, opdat we elkander mogen dienen. “Thans nog tot U een kort woord, A. Visser, als bouwmeester dezer fabriek. Ontvang mijnen dank voor de goede afwering van dit gebouw. Zonder stoornis of oneenigheid van welken aard ook mochten wij dit gebouw zien voltooien. En daar met de machines reeds eenige proeven zijn genomen, vrees ik ook niet of het zal aan alle eischen voldoen. “En nu tenslotte, Dat wij dezen middag mogen doorbrengen blijde gestemd, verheugd over de weldaden door God ons boven zoo velen bewezen. Maar dat dan ook die toon in onze harten moge weerklinken: Niet ons, o Heere, niet ons, Uw naam alleen zij de eere! Doch niet alleen die toon. Ook de bede, die Salomo bij de inwijding van Jeruzalem’s tempel uitsprak, zij de onze. Dat Uwe oogen open mogen zijn dag en nacht over dit huis, over deze plaats. “Ik heb gezegd”.

Dat dit woord, waarin nu nog doorklinkt de gevestigde overtuiging van den spreker en diens geestkracht in elken regel tot uitdrukking komt, gesproken in dat uur en op die plaats, een diepen indruk op alle aanwezigen moet hebben gemaakt, mogen wij wel voor zeker aannemen.

HET BEDRIJF AAN HET EINDE DER 19E EEUW EN DAARNA.

De inventaris van de fabriek omvatte in die jaren nog al heel wat. Van de oude locomobiel van 1882 tot liggende 1 Cil. machine van 1893, dus van 4 tot 24 P.K., was een sprong van beteekenis geweest. Dit was ongetwijfeld gedurende een reeks van jaren de beste en duurste machine van het bedrijf. Doch daarnaast beschikte het bedrijf over verschillende schaaf-, zaag-, boor-machines en dergelijke, alle van de laatste vindingen, machines die Jan-baas in staat stelden steeds weer nieuwe artikelen te leveren.

In het eerste “Album van schaven en beitels”, dat Nooitgedagt de wereld in zond – op de titelpagina waarvan afbeeldingen voorkwamen van medailles, gewonnen op tentoonstellingen hier te lande – waren in de rubrieken beitels, schaven, hamers, schrijfhaken, lijmschroeven, lijmknechten (serre-joint of  sergeant) en schaatsen niet minder dan……. 214 nummers opgenomen. Enkel de nummers 192 tot 198 hadden betrekking op schaatsen, waaruit duidelijk blijkt, dat schaatsen geen hoofdartikel waren, ofschoon wel een belangrijk neven-artikel. De volledige titel van het boekje luidde dan ook “Album van schaven, beitels en andere gereedschappen en schaatsen”. Men ontkomt niet aan den indruk, dat de technische uitrusting van het bedrijf voor het maken van ingewikkelde veerploegen (met allerlei vernuftige constructies), sponningschaven, koolschaven en omsnijschaven destijds verder gevorderd was dan voor de vervaardiging van de schaatstypen van eenvoudige contructie, zoals de gewone IJlster schaats, de doorlooper, de Friesche laagspringer en de Wicher de Salis-schaats. Echter in datzelfde album waren opgenomen de verbeterde Wicher de Salis-schaats en het model Stheenman, waarmee al een hooger greep was gedaan. Wat later, tot en met 1940, door Nooitgedagt aan schaatsen aan de markt is gebracht, met inbegrip van de metalen kunst- en Elfstedenschaats, overtreft natuurlijk in alle opzichten de fraaiste typen van het eerste album.

In die dagen bevond zich in de fabriek (hout-afdeeling) ook een machine die door Jan-baas zelf was ontworpen en vervaardigd. Het personeel noemde deze machine het “Lamme Rad”, dat bestond uit een rad met een middellijn van ongeveer één meter, waarin een viertal beitels bevestigd was. Deze schaafmachine van eigen vinding, kon op de locomobiel ingeschakeld worden. Zij voldeed heel goed. Tot 1930, toen de uitvinder al tien jaren uit het leven gescheiden was, is dit “Lamme Rad” in bedrijf geweest. Toen is het echter opgeruimd.

Verder zag men in bedrijf een z.g. Van Dikte-bank, met behulp waarvan het hout op de vereischte dikte kon worden gebracht; een Vlakte-bank, die diende om het hout vlak en haaks te bewerken, welke bewerkingen toen reeds machinaal geschiedden; een draaibank, een lintzaag en een cirkelzaag.

In de smederij trof men aan: twee valhamers, een ponsmachine, een groote boormachine, een cokes-weloven, een cokes-blauwoven. In de slijperij had men twee steenen ter beschikking, in de polijstinrichting twee polijststoeltjes,één amaril, drie amarilsteenen en een schijf, mitsgaders een ventilator, die stof opzoog.

Maar ook de werkzaamheden buiten het eigenlijke fabriekencomplex aan de wal spraken tot de verbeelding van de IJlster ingezetenen. Daar werden per schip aangevoerd de grote slijpstenen, daar kwamen hooge stapels beuken voor de wal, die met een lintzaag werden verwerkt tot balken en delen van de voor het bedrijf dienstige afmetingen. Menig tweehonderdjarige beuk, uit het buitenland naar ons land vervoerd, bereikte aan de wal te IJlst zijn uiteindelijke bestemming….. Nadat het droogproces zijn beslag had gekregen, begon het buitenlandsche hout zijn rondgang door de fabriek, om deze eerlang te verlaten in de vorm van fijn-bewerkte artikelen, die hetzij den timmerman, hetzij den schrijnwerker voortaan zouden dienen, of wel den schaatsrijder in staat zouden stellen zich op snelle wijze op het ijs voort te bewegen.

De nieuwe eeuw was nog maar drie jaar oud, toen een compound-machine,  die 30 P.K. ontwikkelde, werd aangeschaft. Het vermogen van deze machine zou in 1912 worden opgevoerd tot 80 P.K., teneinde het aantal slagen aanzienlijk te vergroten. In dat jaar deed in de fabriek een gelijkstroomgenerator zijn intrede, die niet alleen de fabriek maar ook de gehele stad van electrisch licht voorzag. In de machinekamer heeft geruimen tijd een groot bord gehangen, waarop verschillende namen voorkwamen, zooals “De Rat” (dat was de houtzaagmolen van Oppedijk aan de Geeuw buiten IJlst) en “D. van der Wal” enz.; dit waren namelijk de aansluitingen op den generator. In 1915 werd in de fabriek opgesteld een locomobiel van Halbertsma uit Grouw, welke machine honderd P.K. ontwikkelde. Zij werd opgesteld in de nieuwe machinekamer. Daar ook deze machine op den duur te gering van capaciteit was, werd daarnaast in1917 een compound-machine van 350 P.K. gekocht. Deze gebruikte veel stoom, om welke reden toen tevens een waterpijpketel werd aangeschaft. Doch deze nieuwe combinatie voldeed al spoedig niet meer; de compoud gebruikte geen stoom, neen, zij verslond stoom! Om die reden heeft het bedrijf toen een tijdlang op den stroom van de Provincie gedraaid, waarvan in 1923 een einde kwam door het aanschaffen van een gelijkstroom-stoommachine van 240 P.K., die heden nog wordt gebruikt. De beide andere machines werden van de hand gedaan, terwijl de waterpijpketel gesloopt werd.

In de jaren na 1900 had de oprichter de leiding van zijn bedrijf geheel in de handen van zijn vier zoons gelegd. Jan-baas had zich teruggetrokken en wijdde zich aan private zaken, al hield hij een wakend en liefhebbend oog op het bedrijf gevestigd. Nog twintig jaren zou hij in rust en vrede van zijn levensavond genieten. Hij woonde tegenover de fabriek en nooit werden ’s avonds in zijn kamer de gordijnen dicht getrokken, opdat Jan-baas de verlichte fabriek in het donker kon zien met al wat er in- en uitging.

De oudste van de vier zonen, Jarig, had een belangrijk aandeel in den fabriekmatigen uitbouw van het bedrijf. Hij stond Jan-baas niet alleen krachtig in de leiding bij, maar was veelal ook de uitvoerder van de veranderingen in het bedrijf en van den overgang van handwerk tot machinalen arbeid met stoom- en werktuigmachines.

Van de vier bedrijfsleiders ging de derde zoon, Tijmen Nooitgedagt, het meest op reis. Ongeveer 23 jaar oud ging hij voor het eerst, toen nog ingezelschap van zijn oudsten broer Jarig, naar Duidsland (Remscheid), waar hij een jaar later opnieuw heen trok, ditmaal met de bedoeling zich te bekwamen in ’t maken van meerdere artikelen bij den valhamer. ’n Paar jaar later (omstreeks 1900) toog Tijmen naar Frankkrijk en leerde aldaar den “caoutchou”-hamer kennen. Hoe hij zich moest weren om een dergelijke hamer naar IJlst te krijgen, vertel ik hierachter nog. Tezamen met zijn broeder Jentje begaf Tijmen zich naar Engeland om in Sheffield werk te zoeken, doch de Trade-Unions verzetten zich daartegen. Toch bezochten zij verschillende fabrieken en stelden er zich in het bijzonder van de beitel-fabricage op de hoogte. Toentertijd werd in Engeland nog overal op het aambeeld gesmeed.

Toen de vier gebroeders Nooitgedagt in 1900 de leiding van het bedrijf overnamen, hadden zij een harde jeugd doch ook een lange reeks van leerzame jaren achter de rug, waarin zij onder uitmuntende leiding zich de beste vakbekwaamheid van dien tijd hadden verworven, niet enkel in het bedrijf te IJlst, maar ook in het buitenland. Ook later bleven zij zich door reizen op de hoogte houden van de ontwikkeling van verwante bedrijven in het buitenland. Tijmen begaf zich zelfs naar Amerika, met de hoofdbedoeling om daarginds familie te bezoeken. Evenwel…….. “it bloed krüpt dër’t net gean kin”, zegt een Friesch spreekwoord. Dit was ook  met de IJlster “wereldreiziger” het geval. Hij keerde dan ook niet alleen met de kersvesche indrukken omtrent zijne familieleden, maar tevens met een …… automatische slijpmachine uit Amerika naar huis terug. Ook bereisde hij Zweden om zich van de staalfabricage aldaar op de hoogte te stellen. Sedert gebruit het bedrijf Zweeds staal, dat in kwaliteit en fijnheid het Engelsche overtreft.

In 1920, op tachtigjarigen ouderdom, overleed de oprichter van het bedrijf, Jan Jarigs Nooitgedagt. Met zijn verscheiden sloot zich een tijdperk af. Een bekende en gewaardeerde figuur was van de IJlster straten verdwenen. Het meest werd hij gemist door zijn familie, zijn zonen, die zooveel aan hun vader te danken hadden, door de ouderen van het personeel, die zich nauw aan den ontslapen leider verbonden voelden, want hij was  den meesten hunner niet alleen een goed patroon, maar ook een vriend geweest, die hun zorgen kende en als een vertrouwde met hun en hun gezinnen had meegeleefd. De laatsten gedachten in hem gaarne dien bijzondere trek van bezorgdheid voor zijn medewerkers. Eens, in een krappe tijd, toen er geen werk was, had Jan-baas zich genoodzaakt gezien een verlaging van het uurloon van…. Een halve cent door te voeren. Een dergelijke maatregel kosste hem strijd. Voordat hij er toe overging, zond hij een briefje bij het personeel langs, dat begon met den aanhef “Geliefde knechten”. Dan zette hij de motieven uiteen, die hem noopten tot loonsverlaging. En de knechts? Zij waren het geheel met hem eens en accepteerden dan ook zijn voorslag. Met zulk optreden, dat niet een methode of een manier was, maar van binnenuit gedicteerd werd, won hij aller harten.

Het bedrijf werd voortgezet, de machines draaiden, de schoorsteenen rookten, want deze dingen treurden niet om hem die was heengegaan. De menschen gaan; de dienst blijft. Jan-baas was van dien historischen gang der dingen altijd vervuld geweest. Meer dan eens zei hij tot zijn zonen: “Als ik sterf of een kip, dat moet voor de fabriek gelijk zijn”.

DE ONTWIKKELING VAN HET BEDRIJF NA 1920.

Onder leiding van de vier gebroeders werd ook de fabricage van schaatsen met kracht voortgezet. Nog tijdens het leven van Jan-baas kwam aan het licht, dat een fabrikant in Duitschland het model van Nooitgedagt’s “IJlsters-chaats” namaakte en zelfs brutaal genoeg was  om het IJlster waarde-merk, den firmanaam op zijn producten te doen slaan, ten einde het publiek te misleiden. Deze schaatsen van Duitschen oorsprong droegen het merk “Nooit gedacht” (dacht met “ch” !), ja zelfs later – nadat Nooitgedagt den bewusten fabrikant op deze unfaire concurrentie opmerkzaam had gemaakt – ging deze zich te buiten aan de enormiteit, zijn schaatsen onrechtmatig te versieren met de gestempelde woorden : Nooitgedacht IJlst. Dit bedrog kon niet langer worden geduld. De firma Nooitgedagt diende een klacht in voor de rechtbank te ’s-Gravenhage, die, bij uitspraak 2 April 1909, vonnis wees en vernietiging beval van genoemd gedeponeerd merk, zoodat bedoelde Duitsche fabrikant zijn geïncrimineerd bedrijf noodgedwongen heeft moeten staken.

Omstreeks 1922 deed de leiding van het schaatsen bedrijf een ervaring op, die een omwenteling noodzakelijk maakte, in dien zin dat men zich voortaan ging toeleggen op het vervaardigen van kunstschaatsen. Tijdens het winterseizoen bleef men te IJlst met de gewone Friesche schaats “zitten”, terwijl de kunstmodellen spoedig waren uitverkocht. De mode had ook haar intrede op het van de schaats gedaan. De schaatsenrijders in Holland, Utrecht en Noord-Brabant gingen zich opeens toeleggen op het kunstrijden. Deze manier van schaatsrijden burgerde zich hier te lande zoo snel in, dat er een groote vraag naar dez modellen ontstond. Te IJlst had men die snelle omstelling niet tijdig voorzien. Men rekende er toen nog met den oude toestand en had van het gewone, traditioneele model schaats een groote voorraad laten vervaardigen. Sedertdien legde men zich speciaal toe op het maken van houten kunstschaatsen, althans wat het model betrof. Jaren later, in 1935, zou het bedrijf zich terzake van de vervaardiging van stalen schaatsen speciaal en naar de allernieuwste eischen  gaan inrichten.

Bevruchtte de metalen kunstschaats de gedachten van den leider der schaatsenafdeling, de Zweedsche steekbeitel beïnvloedde de denkwijze van den leider der ijzerafdeling. Sedert 1928 legde men zich toe op het vervaardigen van Zeedsche stalen steekbeitels, die jarenlang een zeer gewild artikel zijn geweest, waar anno 1940 nog grote vraag naar is. Een paar jaar later – in 1930 – werd een maatverdeel-machine aangeschaft voor het vervaardigen van metalen schrijfhaken en linialen.

In 1929 werden de gelijkstroom-dynamo’s afgeschaft. Het drijfwerk verdween. Hiervoor in de plaats kwam een wisselstroom-generator voor de aandrijving. De wisselstroom-generator, die 240 P.K. ontwikkelt, is in 1940 al weer van te geringe capaciteit gebleken. Wanneer alle machines in bedrijf zijn, moet een gedeelte op den stroom van de Provincie draaien….

Wie op het oogenblik de fabriek van Nooitgedagt betreedt, en daarbij bedenkt uit welk klein en eenvoudig begin dit alles werd opgebouwd, zal met eenige begrijpelijke verwondering om zich heen zien. In de hout-afdeeling staan thans opgesteld: 4 Vlakte-banken, 2 Vandikte-banken, 3 lintzagen, 2 boormachines, 1 half-automatische draaibank, 2 copiëer-banken, 3 kapmachines, een kettingfrais, verscheidene schuurmachines, 1 half-automatische schuurmachine, 1 decoupier-machine, 1 bovenarm-frais. De Vacuum-droogketel heeft een tweetal motoren. Op de lijmtafels, die door stoom worden verwarmd, worden verschillende onderdeelen aaneengelijmd. Door middel van een lift worden de werkstukken van de eene verdieping naar de andere getransporteed. Een Exhauster zorgt voor het stofvrij houden van de hout-afdeling. In de smederij merkt men o.a. op de oude bekenden: de beide valhamers, de ponsmachine, de groote boormachine, de weloven en de blauwoven. Later later kwam en nog een veerhamer bij. Nadat in 1914 de nieuwe fabriek in gebruik was genomen, werden de machines voortdurend verbeterd en uitgebreid.

Tegenwoordig treft men er bovendien nog de volgende machines aan: 3 boormachines, 2 ponsen, 4 dubbele valhamers, 2 veerhamers, 2 schaafmachines, 2 draaibanken, 1 draadtapmachine, 1 zaagmachine, 2 hardingsovens, die met olie worden gestookt, een weloven en een temperoven, die eveneens met olie gestookt worden. Had de oude slijperij slechts over twee steenen te beschikken, tegenwoordig heeft men er een zestal. Vervolgens vindt men hier: een automatische slijpmachine, een idem half-automatische, waarbij het werkstuk door middel van een magneet wordt vastgehouden. Ook deze afdeling wordt door een ventilator van frissche luchtstromen voorzien. Ook de inventaris van de polijstinrichting is in de loop der jaren belangrijk uitgebreid. Men vindt er nog de beide polijststoeltjes, de amarilbok en de drie amarilstenen van vroeger. Deze inventaris is thans uitgebreid tot: 3 amarilbokken, 12 polijststoeltjes, 1 lengte-polijstmachine, 1 dubbelschijfmachine, 1 schuurmachine en 1 holslijpmachine. Veel zorg is daarnaast besteed aan de huisvesting. Uit de openingsrede, die Jan-baas hield ter gelegenheid van de ingebruikname der nieuwe fabriek in 1899, is gebleken, hoezeer hij streefde naar “meerdere frischheid en luchtigheid” van de localiteiten. Ook wat dat betreft hebben zijn opvolgers, de vier gebroeders, en na hen de beide tegenwoordige directeuren, zijn voorbeeld gevold. Voortdurend is er na gestreefd de fabriek ruim en licht te houden, van luchtverversching en daglicht het profijt te trekken. Reeds is gewezen op het nut van het systeem van ventilatoren, waardoor het stof onmiddellijk na het onstaan wordt opgeruimd. De bergen houtafval worden geregeld naar het ketelhuis getransporteerd, om onder de ketel te worden opgestookt.

De laatste uitbreiding van 1935 betreft de vervaardiging van metalen schaatsen. De eerste stoot in deze richting was de nieuwe “mode”die de gebroeders Nooitgedagt in 1922 hadden gesignaleerd ( en waarvan hierboven reeds sprake was) of laat mij liever zeggen: de verandering in de waardeering, waarmee het publiek ten opzichte van de schaats gestemd was. De stalen schaats kwam in zwang en veroverde, ontegenzeggelijk en snel terrein op de klassieke, de houten schaats.

In 1930 verwief Nooitgedagt IJlst een nationaal agentuur voor den verkoop van schaatsen van Duitsche en Zweedsche fabrieken. Ze werden verkocht maar deze handel bevredigde de vakmenschen van IJlst niet, omdat zij niet gewoon waren dingen te verkoopen, die zij niet zelf hadden gemaakt. De heeren Nooitgedagt vonden het geen ideale toestand, dat de concurreerende Duitsche fabrieken het specimen metalen kunstschaats in Nederland invoerde en dat zij in IJlst slechts hadden toe te kijken en te verkoopen. Daarom deden zij opnieuw een stap, die geheel lag in de lijn van het oorspronkelijke denken den vakkundig uitwerken, die voor het geslacht Nooitgedagt IJlst altijd typerend zijn geweest.

De heer Tijmen Nooitgedagt, inmiddels al op leeftijd gekomen, ondernam, vergezeld van zijn neef, den heer Jan Nooitgedagt Aldertszoon, een reis naar Duitschland ter bezichtiging van de fabrieken, waar metalen schaatsen werden vervaardigd. Met een van de Duitsche fabrikanten werd overeengekomen, dat hij voor één model metalen kunstschaats en tiental matrijzen zou afstaan voor het respectabele bedrag van 12.000 gulden.

Maar nog er een jaar moeten voorbij gaan, voordat de matrijzen het eigendom van Nooitgedagt waren geworden, en, tegelijk met de matrijzen, de zoon van een Duitsch ingenieur naar Friesland meekwam om de IJlster werklieden dit speciale vak te leeren. Toen de instructeur uit Duitschland een half jaar te IJlst was geweest, waren Nooitgedagt’s mannen in dit vak zóózeer bedreven, dat zij het Duitsche model ondertusschen veranderd en verbeterd hadden en tenslotte zelf matrijzen gingen maken. Wel werden de eerste metalen schaatsen te IJlst volgens  Duitsche matrijzen vervaardigd, doch kort daarna werden deze dure zaken als overwonnen standpunt terzijde gelegd en begon men zelf de matrijzen en vervolgens (naar eigen matrijzen) metalen schaatsen te maken. Terwijl de Duitsche nog te IJlst hun het vak leerde, zagen de IJlster werklieden, dat het nog mooier en beter kon dan hun leermeester onderwees……..

In 1935 kwam de nieuwe afdeling metalen schaatsen in bedrijf. Thans worden er een tiental modellen vervaardigd, waarvan ik noem: Sportmodel, Triumphator, Winterbloem, Juweeltje, IJskristal, Sneeuwklokje en last not least de Elfstedenschaats.

De laatste vinding van Nooitgedagt, de metalen Elfstedenschaats, die onder den schoen wordt geschroefd, is een lange stalen Noor, proefondervindelijk ontworpen, opgebouwd en gestroomlijnd in eigen bedrijf. Het is een elegante en aantrekkelijke schaats, waarvan in de zomer van 1940 al honderden paren zijn afgeleverd. Wanneer het winterseizoen 1940 – ’41 rijdbaar ijs brengt, dan zal men op de banen in Nederland vele rijders op de IJlster Elfstedenschaats zien glijden en zwieren.

Het ligt voor de hand, dat deze afdeling de mooiste en modernste van de gehele fabriek is. Toen men over dezen nieuwen opzet dacht, werd het den leiders van het bedrijf allengs duidelijk, dat de vervaardiging van metalen schaatsen een vak op zichzelf was. Om dit vak in de perfectie te verstaan en in staat te zijn, het beste schaatsmateriaal te leveren dat door het kunstrijdend publiek wordt gevraagd, werden kosten nog moeiten gespaard. Het resultaat is geworden een ruime afdeeling, waar het licht kan binnenstroomen. Aan de technische uitrusting ontbreekt niets. Men vindt er verscheidene nieuwe machines voor de vervaardiging van de metalen schaats: 6 persen van 4 tot 80 ton, Excenter- zoowel als frictie-persen, eenelectrische oven, een speciale hardingsinrichting en een laschinrichting. Voorts bevinden er zich: 2 vernikkelbaden, 1 chroombad, 1 materingsbad, 1 ontvettingsbad en 1 ontnikkelbad. De stroom wordt geleverd door een tweetal aggraten.

Nadat de metalen schaats gereed is gekomen, wordt zij in het electrolitisch speciaal-bad voor bereid voor het vernikkelproces. Na jaren van experimenteeren heeft Nooitgedagt kunnen uitvinden, door welke speciale behandeling het gelukt, nikkel op ’t harde staal vast te zetten. Het komt er namelijk op aan, de schaats een fraai aanzien te geven. Daarom is het vernikkelproces, waarbij het vooral aankomt op het gehalte van het vernikkelbad, hier zoo’n belangrijke factor. Wij roeren hier aan een vakgeheim, waarop de directie terecht trots is.

In het jaar, waarin het bedrijf zijn 75-jarig bestaan gedenkt, smaakt de directie het genoegen, dat zij in betrekkelijk korte jaren tijds er in geslaagd is een tak van het bedrijf op te bouwen, welke hier te lande niet bestond. Sedert Nooitgedagt in 1935 met de vervaardiging van de metalen kunstschaats begonnen is, kan men zeggen, dat in dat jaar de fabricage van dit specimen schaats in Nederland is ingevoerd.

Gerelateerde berichten

U kunt geen reactie plaatsen.